Welke logobestanden heb je echt nodig? (en waarom die JPG niet volstaat)

by Gert Vanzeir | aug 20, 2026 | Vakkennis

Je hebt je logo gekregen, je bent er blij mee, en dan mail je het door naar de drukker voor je nieuwe naamkaartjes. Antwoord: “Kan je dit als vector aanleveren?” En dan sta je daar.

Het overkomt meer ondernemers dan je zou denken. Meestal omdat ze bij de oplevering alleen een JPG of PNG hebben gekregen. Hier is wat je eigenlijk in huis zou moeten hebben, en waarom.

Het verschil dat alles bepaalt

Er bestaan twee soorten beeldbestanden, en het onderscheid is belangrijker dan de meeste mensen beseffen.

Pixelbestanden — JPG, PNG, GIF — bestaan uit een raster van gekleurde puntjes. Handig en overal bruikbaar, maar de grootte ligt vast. Vergroot je zo’n bestand, dan vergroot je ook die puntjes. Vandaar dat je logo er kartelig of wazig uitziet zodra het groter moet dan waarvoor het gemaakt is.

Vectorbestanden — EPS, AI, SVG, en soms PDF — bestaan niet uit puntjes maar uit wiskundige beschrijvingen van lijnen en vlakken. Het bestand weet niet hoe groot het is; het rekent dat elke keer opnieuw uit. Daardoor blijft het even scherp op een naamkaartje als op een spandoek van zes meter.

Als een drukker of reclamebedrijf om “vector” vraagt, bedoelen ze dus dit. En negen van de tien keer bedoelen ze specifiek een EPS, want dat is het formaat dat vrijwel elk professioneel programma kan openen.

Wat je zou moeten krijgen

Een fatsoenlijke oplevering bestaat niet uit één bestand, maar uit een mapje. Dit hoort erin te zitten:

  • EPS of AI — het origineel in vector. Dit is je moederbestand. Bewaar het, ook al open je het zelf nooit.
  • PDF — ook vector, maar makkelijker door te sturen en te bekijken zonder speciale software.
  • SVG — vector voor het web. Blijft haarscherp op elk scherm en weegt vrijwel niets.
  • PNG met transparante achtergrond — voor snel gebruik in een document of presentatie, zonder wit blokje eromheen.
  • JPG — voor situaties waar transparantie niet nodig is en het bestand klein moet blijven.

En dan nog de varianten

Naast de formaten heb je ook verschillende uitvoeringen nodig, want je logo komt niet altijd op wit terecht.

Een volledige kleurversie voor normaal gebruik. Een versie in wit voor donkere achtergronden — een gevel ’s avonds, een donkere website, een zwarte tas. Een versie in zwart voor als er maar één kleur mogelijk is, bijvoorbeeld bij een stempel of een gravure. En vaak een compacte variant: alleen het beeldmerk zonder tekst, voor een profielfoto op sociale media of een favicon.

Die laatste wordt het vaakst vergeten, en je hebt hem sneller nodig dan je denkt.

Kleuren voor scherm en voor papier

Nog zoiets waar het misgaat. Beeldschermen maken kleur met licht: rood, groen en blauw, oftewel RGB. Drukwerk maakt kleur met inkt: cyaan, magenta, geel en zwart, oftewel CMYK. Dat zijn twee verschillende werelden.

Een felle, verzadigde kleur die op je scherm prachtig oplicht, kan in druk merkbaar doffer uitvallen. Simpelweg omdat inkt dat licht niet kan nabootsen. Daarom worden huisstijlkleuren vastgelegd in een Pantone-nummer: een afgesproken standaard waarbij elke drukker exact dezelfde kleur mengt. Zo blijft het rood op je bestelwagen hetzelfde rood als op je folder.

Vraag die kleurcodes op bij je ontwerper en bewaar ze samen met je logobestanden. Je hebt ze nodig, elke keer opnieuw.

Ben je ze kwijt?

Het gebeurt: de ontwerper is niet meer bereikbaar, de oude computer is opgeruimd, en je hebt alleen nog een logo van je eigen website geplukt. Dan valt er meestal nog wel iets te redden. Een bestaand logo kan opnieuw in vector worden nagetekend, zodat je weer over een bruikbaar origineel beschikt.

Zit je in die situatie, of wil je gewoon eens laten nakijken of je een volledige set hebt? Laat het weten of bel 0477 35 87 36. Vaak is het in een half uur duidelijk waar je staat.

🍪 Cookie-instellingen